Op zoek naar verlossing
Carel Peeters
Wie het over Verlossing en de Verlosser heeft, begeeft zich in religieuze sferen van toen gelovigen van de kansels moesten vernemen of ze al dan niet verlost zouden worden van de schuldenlast die ze in de loop van hun leven hadden opgebouwd. Sommigen werden uitverkoren, anderen gingen met hangend hoofd huiswaarts.
Wanneer Arnon Grunberg het in de eerste zin van zijn essay Mogen we nog een beetje leven? over verlossing heeft profiteert hij van de geschiedenis en de loodzware verwachting die in het woord besloten ligt. Het is alsof het gewicht van een bevalling in ‘verlossen’ meeklinkt. Vroeger waren dat de zware zonden. Nu de secularisatie goed heeft doorgezet en we volgens Grunberg in een postchristelijke tijd leven, kan hij ‘verlossing’ op een wereldse manier gebruiken, maar dat betekent wel dat hij het zo ruim opvat dat nu ook Johan Cruijff een Verlosser is. Dan wordt het elastiek wel erg uitgerekt.
De verlossing waar Grunberg het op de eerste pagina over heeft, maakt in 130 pagina’s geen ontwikkeling door. Hij geeft maar een voorbeeld van verlossing. Op de laatste pagina’s mag (‘en moet’) nog steeds gehoopt worden, op de traditionele manier:
‘Op de verlossing en de Verlosser mag worden gehoopt, er mag of moet naar verlangd worden, misschien wel obsessief. Maar daar waar zij zich werkelijk aandienen doet men er goed aan de Verlosser met zijn verlossing zo snel mogelijk de stad uit te jagen. Of toch niet? Kan de postchristen echt zonder verlossing? Zou de mens dat kunnen? Ik vrees dat te veel mensen verlossing hebben gevonden in het bestaan van de zondebok. Omdat hij bestaat voelen zij zich al een beetje verlost.’
Kenmerkend voor Grunbergs essays is dat ze zowel chaotisch als geordend zijn
Grunberg stelt zich hier wel heel erg ambivalent op: eerst obsessief laten hopen op een Verlosser, hem dan wegsturen, om hem daarna weer terug te halen en verlost te laten worden door de zondebok. En dan ook nog alles op losse schroeven te zetten met het vragende ‘Misschien is verlossing ook een spel.’
Kenmerkend voor Grunbergs essays is dat ze zowel chaotisch als geordend zijn. Dat zorgt voor menige schier onontwarbare gedachteknoop. Maar hoe paradoxaal ook, er zit altijd wel iets in, al vergeet je het ook weer makkelijk. Het verkruimelt in je herinnering, vooral omdat hij zo vaak bewust tegenstrijdigheden opvoert, die eten elkaar op. Het is alsof dat verkruimelen ook de bedoeling is. Er zijn toch geen echte ‘antwoorden.’
Deze manier van schrijven heeft wel degelijk een uitgesproken doel: om te voorkomen dat hij in het vaarwater van de makkelijke antwoorden terecht komt. Hij begeeft zich immers op het terrein van de ‘zingeving’, waar de boekwinkel een overmacht aan boeken over heeft. Volgens Grunberg en zijn collega John Coetzee hongeren mensen ‘naar antwoord op de vraag hoe ze moeten leven.’ Dat antwoord (‘ga er een weekendje uit!’) wil Grunberg voor geen goud rechtstreeks geven. Dat antwoord heeft hij helemaal niet en wil hij ook niet hebben. Wat hij wel wil: de ‘duizelingwekkende vrijheid’ waar Kierkegaard het over heeft ‘intensiveren’, van een context en zin voorzien.
Dat intensiveren houdt bijvoorbeeld in dat hij herhaaldelijk het christelijke ‘lijden’ ter sprake brengt. Hij wil natuurlijk niet op christelijk commando lijden, maar we kunnen met Nietzsches Zarathoestra wel leren van de archaische bultenaar, de lamme en de blinde: we hoeven geen medelijden met ze te hebben.
Nietzsche, parafraseert Grunberg al dan niet met instemming, wil niet alleen lijden zien als hij naar de mens kijkt. Dat Jezus zegt: ‘Ik zie jullie lijden’, dat Bill Clinton zegt: ‘Ik voel jullie pijn’, dat kan Nietzsche niet uitstaan. Grunberg ook? Hij is geweldig aan het jonassen met dat lijden, maar ik concludeer met een gerust hart dat hij, anders dan Nietzsche, vindt dat lijden erbij hoort. Maar niet zo ostentatief.
Dat er eerder serieuze en dwingende antwoorden zijn gegeven op de vraag hoe mensen moeten leven illustreert Grunberg door de Bergrede van Jezus aan het eind van zijn essay af te drukken (Matteus 5 in de Bijbel). Dit politieke programma van Jezus duikt van tijd tot tijd op om door Grunberg van eigenzinnig commentaar te worden voorzien. Hij goochelt met wat Jezus (‘een uitstekend psycholoog’) allemaal zegt, maar uiteindelijk moet hij toegeven dat het goed in elkaar zit en dat de meeste dwingend opgelegde aanbevelingen overeind blijven: pleeg geen moord, geen overspel, de hongerigen zullen verzadigd worden, zweer niet, keer je linkerwang, heb je vijand lief, wees volmaakt.
Grunberg maakt zich druk over het vuur waarmee het geloof wordt verdedigd
Het even zinnige als controversiele van deze geboden verklaart waarom er nog steeds christenen zijn, ze zijn makkelijk als algemeen menselijk te zien. Augustinus en Paulus verklaarden ze maar al te graag ‘universeel’. Het humanisme had er ook niet veel moeite mee.
Het warme lijk van God
Grunberg beweert dat de secularisatie, de verwereldlijking, niet zo ver is voortgeschreden dat ‘het lijk van God’ compleet is afgekoeld, ‘het blijft maar warm.’ Dit is een mager alibi om het over de behoefte aan ‘verlossing’ te hebben. De secularisatie en de verdwijning van God gaan gewoon door, terwijl de actieve kerkgang blijft teruglopen.
Grunberg maakt zich ook druk over het vuur waarmee het geloof wordt verdedigd. Hij beweert, gesteund door bepaalde kenners, dat het bestaan van de mensheid ‘het vuur van de profeten’ nodig heeft. Zonder een soort priesters (‘profeten’) die zeggen hoe je moet leven, kan het niet.
Je zou denken dat hij die profeten dan goed gezind is, maar nee, dan duikt een van zijn tegenstrijdigheden op: ze zijn hoogstens ‘iets minder vals geworden. Het kan zijn dat ze dit keer niet verscheurd hoeven te worden wanneer hun genade kouder blijkt dan het kilste orgasme.’ Met deze duisterheid wordt de lezer het bos in gestuurd.
De lullige titel Mogen we nog een beetje leven? en het lelijke omslag nodigen niet bepaald uit om je in dit labyrint te begeven. Grunberg is in het essay aan het proberen oude menselijke en religieuze gevoeligheden nieuw leven in te blazen (te ‘intensiveren’) omdat over God niets nieuws valt te melden, behalve dat zijn lijk maar warm blijft. En omdat gevoeligheden als lijden, schuld, verlossen, geboden, moraal, medelijden, liefde, onderwerping, vereren of verlangen niet alleen aan godsdienst gerelateerd zijn.
Grunberg maakt van het niet verlost zijn een menselijke conditie waarbij je een angstig afwachtende en hunkerende massa voor je ziet (ook al is elke ziel er een). Maar ondertussen is de wereld zelf in werkelijkheid in tweeen gespleten: in een wereld in oorlog, en een wereld in welvaart, waar de nieuwe Ferrari als een verlossing het grootste nieuws is en het wereldkampioenschap voetbal de liefhebbers al bijvoorbaat naar het hoofd is gestegen. Aan de welvaart-kant van de wereld is de technologische verlossing in volle gang.
Mogen we nog een beetje leven? Over de dood van God en het lijk dat maar warm bleef door Arnon Grunberg is uitgegeven door Atlas Contact